Verhaal

Noaberplichten in Markelo 150 jaar geleden

De vroegste bewoners van onze streek moesten de natuur te lijf met weinig meer dan een primitieve plantstok. Er was maar weinig grond geschikt voor bewoning en de hoeveelheid cultuurgrond hield ook al niet over. Bij een groeiend aantal bewoners kwam men dus als vanzelf bij elkaar in de buurt te wonen. Zo ontstonden “eilanden” van bewoning met daartussen uitgestrekte, woeste gronden. En als ergens een goede buur beter was dan een verre vriend dan was het wel toendertijd in deze contreien. Een betere voedingsbodem voor het ontstaan van buurtschappen en burenplichten moet nog gevonden worden: individu, gezin en buurt vormden een vanzelfsprekende, hechte eenheid. Het is jammer te moeten constateren dat met de toegenomen welvaart en vrijheid, de hechtheid van de sociale verbanden – ook op het platteland – langzaamaan verwateren.

Hoe functioneerde zo’n buurtgemeenschap anderhalve eeuw geleden op het Markelose platteland?

Vestigen.

Wanneer een landbouwer een nieuwe boerderij betrok, gaf hij een zogenaamd noabermaal. De mannen en vrouwen van een twintigtal van de nabijgelegen huizen werden op dit maal verzocht en goed onthaald op jenever met suiker. Na afloop van dit feest werden 4 buren benoemd tot noodnoabers, de overigen werden noabers. Gold het een verhuizing dan behielden de mensen die bij de vorige bewoners noodnoaber of noaber waren hun functie. De verplichting hoorde dus bij het huis en niet bij de bewoners.

De noodnoabers waren verplicht om bij ziekte of ongeval de dokter te halen, de zieke te helpen en zijn werkzaamheden over te nemen. Bij feestelijke gelegenheden waren ze verplicht te assisteren bij de bediening, zodat gastheer en gastvrouw zich bezig konden houden met de gasten.

Het "verhandelen" van de bruidskoe. De spelers van dit tafereel in 1970 zijn v.L.n.R.: G. Dollekamp (Get oet Stökkum), H. Dollekamp (van de smid),  J. Vedders, H. Wibbelink (Niejnhoes), J.H. Klein Zandvoort (Bats), G.J. Huisken, H.J. Klein Velderman en A.J. Sligman.

Geboorte.

Direct na de bevalling riep de naaste noodnoabervrouw alle buurvrouwen samen ten huize van de kraamvrouw. Na een hapje en een drankje en het uitwisselen van kraamverhalen werd de kraammoeder een spoedig herstel toegewenst en dat het kindje maar in gezondheid groot mocht worden. Enkele weken na de geboorte werd het zogenaamde blijmaal gehouden. De noodnoabervrouwen organiseerden dan een visite voor alle vrouwen uit de hele familie. Deze brachten als “compensatie” voor de verteringen tarwebrood of beschuit mee. Daarna volgde het doopmaal, dat enkele weken na de doop werd gehouden. Dit feest bleef beperkt tot de naaste familie, mannen en vrouwen. De gasten brachten een krentenbrood en nog wat andere etenswaren mee. Er werd jenever gedronken en een uitgebreide maaltijd genuttigd. Het gedoopte kind ging de hele kring rond, van vrouw tot vrouw, om bezichtigd te worden. Het doopkleedje ging dezelfde weg. Na de maaltijd ging men naar buiten om de stand van de gewassen en het vee te bekijken. Uitvoerig werden de ontwikkelingen in het landbouwbedrijf besproken. Hierna werd er nog wat koffie met krentenbrood genuttigd om vervolgens huiswaarts te gaan, niet dan na eerst de stallen nog bezichtigd te hebben. Het belangrijkste feest ter ere van de nieuwe wereldburger was het kinderbier. Familie, buren, vrienden en kennissen werden hiervoor uitgenodigd. Soms wel vijftig huisgezinnen met kinderen groot en klein. En iedereen bracht wat eetbaars mee. Met al die spelende en kibbelende kinderen en hun pimpelende ouders waren dit niet direct serene bijeenkomsten. De baby ging weer van vrouw tot vrouw waarbij de vrouwen vooral de bijzondere kwaliteiten van hun eigen baby’s bespraken.

Trouwen.

Jongelui die verkering hadden bezochten elkaar nauwelijks thuis. Alleen bij kermissen, zogenaamde maaltjes en feesten ontmoette men elkaar. Wanneer men werd ingeschreven voor het huwelijk vond er een zogenaamd boksenmaal of boksenbier plaats. Zo’n feest begon met het schieten in de lucht, zoals nu nog in het Midden-Oosten gebruikelijk is. Daarna werd er door de ongehuwde jongelui in een herberg flink gedanst en gedronken, deels op eigen kosten. Ook de muzikant kreeg van de aanwezigen per dans wat geld. Het “boksen moal” deed destijds al weinig onder voor de huidige vrijgezellenfeesten.  

Na het boksenbier volgde het veêrnmaal. De bedoeling hiervan was de bruid voldoende veren te verschaffen voor het bruidsbed. Vrouwelijke familieleden en buren werden hiervoor uitgenodigd en iedereen bracht wat veren in een kussensloop mee. Had men geen ganzen dan bracht men wat geld mee. Door de vele jenevertjes met suiker werd het meestal een vrolijke middag. Vóór het bruiloftsfeest kon worden gehouden moesten de brulftenneugers de gasten uitnodigen. Dit waren meestal twee jongemannen, naaste familieleden van het bruidspaar, die in hun zondagse pak en gesierd met een versierde hoed op, de uit te nodigen families langs gingen. Bij ieder huis zegden ze een gedicht op waarin de uitnodiging was vervat. De genodigden beloonden dit per definitie met een jonge borrel en pannenkoek met spek en eieren. Dat dit uiteindelijk ten koste ging van de articulatie en verstaanbaarheid laat zich raden.

Daags voor de bruiloft vond het zogenaamde kistenmaal plaats. De bruidegom nam met de naaste familie, noodnoabers en wat vrienden plaats in 3 of 4 boeren kleedwagens waarmee met veel kabaal richting bruid werd gereden. Daar aangekomen reed men de boerderij binnen waar men van de wagens kwam en al zingend rond de haard sprong en wat jenevertjes dronk. Als de rust was weergekeerd ging men ter tafel om rijstebrij met suiker te eten. Daarna werd een wagen volgeladen met de spullen die de bruid meebracht naar haar nieuwe woning. Daaronder de op één na beste koe die achter de wagen werd vastgemaakt, een bruidsbed, stoelen, een spinnewiel en een gevuld kabinet. Als men wilde wegrijden, waren steevast de wagens onklaar gemaakt. Noabers van de bruid waren bereid de wagen te repareren als daar een flinke vergoeding in de vorm van wat borrels tegenover

De bruiloftswagen werd stiekum onklaar gemaakt door de luns van het wagenwiel af te halen. Pas na een tractatie werd die luns weer teruggegeven.

stond. Op de terugreis werd men hier en daar “gemeut”. Dat wil zeggen dat de weg was gebarricadeerd door jongelui die, pas nadat de jeneverkruik was rondgegaan, de weg weer vrij maakten.

Thuis aangekomen werd door de naaste familie van de bruidegom het bruidsbed opgemaakt, waarbij in en onder het bed allerlei ongerechtigdheden als brandnetels en steentjes werden verstopt.

De volgende dag vond het bruiloftsfeest plaats. Al om 8 uur ’s morgens arriveerden de eerste familieleden. Er was koffie met krentenbrood en al meteen jenever, dit keer met suiker en rozijnen erin (zogenaamde boerenjongens). De bruidegom rookte op deze dag uit een lange aarden pijp, welke versierd was met lintjes en goudpapier. De bruid moest zich op het feest diverse keren omkleden. In gewone zondagse kleren ontving ze de gasten. Tegen de middag, als het openstaande kabinet getoond moest worden, in bruidspak en zodra dit karwei geklaard was, weer in zondagse kleedij. De middagmaaltijd bestond uit aardappelen met stokvis en ham. Tijdens de maaltijd deed de speelman zijn ronde en kraste wat op zijn viool. Daarvoor ontving hij van iedereen wat geld. Na de maaltijd kwamen ook de overige gasten, geen familie zijnde, en begon de eigenlijke bruiloft. Er werd veel gedanst en de stemming steeg met het gemaakte rumoer, veelal tot de volgende morgen.

Bij het burgerlijk huwelijk vonden er geen festiviteiten plaats. Dit huwelijk bestond ook pas sinds de Franse tijd. Voor de kerkelijke inzegening kwamen de bruid, vergezeld van enige zusters of schoonzusters en de bruidegom in een plaatselijke herberg bij elkaar en gingen vandaar gezamenlijk naar de kerk. Na de huwelijksinzegening ging men weer naar de herberg en dronk afsluitend enkele borreltjes op de goede afloop.

Overlijden.

Wanneer iemand overleden was werd het lijk aangekleed door de noodnoabervrouwen. De overledene werd uit de bedstee gehaald, ontkleed en de handen en het gezicht werden gewassen. Vervolgens werd het doodskleed aangetrokken. Zodra de kist was gearriveerd werd het lijk daarin gelegd. Dit gebeurde altijd in de schemeravond, waarna de kist onder een raam werd gezet. De noodnoabermannen ondertussen “zegden de dood aan” bij de naaste familie. De volgende morgen om ongeveer 11 uur luidden de gezamenlijke buren de drie klokken in de kerktoren, waarmee het overlijden aan de gemeente bekend werd gemaakt. De naaste noodnoabers die gehouden waren de werkzaamheden op de boerderij waar te nemen zolang de overledene nog niet was begraven, hadden ondertussen lijsten gemaakt met daarop de adressen van de genodigden voor de begrafenis. Iedere noaber kreeg een briefje met daarop de adressen die hij moest bezoeken.

Op de dag voor de begrafenis had het rouwklagen plaats. Alle vrouwlijke familieleden werden uitgenodigd en kwamen op de middag bij elkaar, om in rangorde van familie-relatie aan tafels plaats te nemen en stilzwijgend koffie te drinken met daarbij een boterham. Na het gebruik hiervan stonden allen tegelijk op om, zonder een woord te zeggen, te vertrekken.

Op de begrafenis kwam omstreeks 1 uur de naaste familie die in de keuken plaats nam, gevolgd door de overige genodigden die op de deel gingen zitten. Meestal één persoon per uitgenodigd huisgezin. Er werd in stilte bier gedronken. De kist werd voor op de deel gezet en geopend zodat men desgewenst  het lijk kon aanschouwen. Vervolgens werd de kist gesloten en op een open boerenwagen gezet. Op dezelfde wagen namen de naaste vrouwelijke bloedverwanten plaats. Men reed dan naar het kerkhof via de zogenaamde kerkeweg, ook al was die veel langer en slechter dan de normale weg. Achter de wagen liepen eerst de naaste mannelijke familieleden en daarachter alle overige genodigden in volstrekt willekeurige volgorde. Terwijl de klokken weer werden geluid, werd de kist door de noodnoabers in het graf geplaatst en bedekt met zoveel zand dat de kist bedekt was. Vervolgens gingen allen naar de herberg om de “groove” te houden. De naaste familie vertrok vandaar al snel naar huis. De overigen zetten zich aan het bier en later aan de jenever die uit hetzelfde glas werd gedronken. Gedeeltelijk gebeurde dit op eigen kosten. Wie de overledene eer aan wilde doen gebruikte voor minstens één dubbeltje.

De volgende dag kwamen de noodnoabers tesamen bij het sterfhuis op de zogenaamde “noagroove”. De noodnoaberplichten zijn vervuld wanneer de nabestaanden bij de “noagroove” te kennen geven dat alles naar wens is afgehandeld en opgeruimd.

Reacties